Psalm 51

Wielrenner Michael Rasmussen heeft nooit spijt gehad van het gebruik van doping tijdens zijn carrière. Een opmerkelijke uitspraak want in hetzelfde interview zegt hij dat het tegelijk “een wond is die nooit helemaal zal helen” én dat het “een kruis is die hij zijn leven lang moet dragen”. Die consequentie van z’n daden voelt hij dagelijks maar toch kent hij geen spijt.

Hoe anders is dat bij David. Uit de woorden van psalm 51 voel je dat hij diep ongelukkig is. De pijn van een gebroken man die weet dat het helemaal zijn eigen domme fout is. En vervuld van spijt, vraagt hij God om hem te vergeven en zijn zonden teniet te doen.

David is niet zozeer verslagen omdat hij ontmaskert is. Nee, het spijt hem omdat hij tegen God gezondigd heeft en in z’n blindheid levens heeft geruïneerd. In de woorden: “Mijn daden staan mij dagelijks voor ogen” proef je hoe het hem achtervolgt en dat hij niets anders wil dan terug te kunnen in de tijd om z’n handelen ongedaan te maken.

Dat gevoel ken je vast; dat je het liefst terug wilt in de tijd om iets niet te doen wat je wel hebt gedaan. Net als bij Rasmussen kunnen dat heftige dingen zijn die als een open wond aanvoelen en die je leven lang nooit echt dicht zal groeien. Als je niet tot het moment van spijt en de vraag om vergeving komt, blijft het je eigen kruis om te dragen en zal het je nooit echt loslaten.

Dat wil niet zeggen dat door spijt te hebben de consequenties niet voelbaar zijn. Het is de realiteit van het leven. Maar kijk naar David. Hij laat het er niet bij zitten. Hij roept het uit naar God: “Was mij schoon van al mijn zonden” en “Schep in mijn God een zuiver hart”. Wat verlangt David er naar om weer rein te worden en de rest van z’n leven (weer) het goede te doen. Het is de enige passende reactie én de beste remedie. God vergeeft de schuld. Hij doet ze weg. Helemaal weg. Meer nog: Hij omarmd je als Zijn eigen kind. Hij houdt zielsveel van je en reinigt je van alle verkeerde daden. Zodat je weer vol op kunt leven.