Lezen 2 Samuël 16

Op 7 september 2005 speelde Nederland een WK kwalificatiewedstrijd tegen Andorra. Met 3-0 op de borden kreeg Van Nistelrooy de kans om via een penalty de vierde goal te noteren. Maar hij mist. Dat was flink balen en een beetje vernederend voor de superspits. Verdediger Lima van Andorra trapt Ruud nog even psychisch na door hem vol in het gezicht uit te lachen.

David wordt psychisch ook nog even flink nagetrapt. Verjaagd uit z’n eigen paleis door z’n bloedeigen zoon is hij op de vlucht geslagen. Een schandelijk aftocht. En dan komt daar Simi die hem de oren van z’n hoofd vloekt en tiert. Valse beschuldigingen, grove verwensingen en een regen van stenen. Simi heeft het allemaal opgespaard sinds David het koningschap van zijn familie heeft overgenomen en stort het nu allemaal over hem uit.

Abisai is er vrij snel klaar mee en staat te popelen om op een gewelddadige manier een einde te maken aan deze ontering. David wil dat niet. Zijn exacte woorden zijn kenmerkend: “Wat heb ik met jullie te maken zonen van Seruja.” De meervoudsvorm van “zonen van Seruja” staat voor het karakter van deze mannen in Davids legerleiding (Joab en Abisai). Ze staan voor de gewelddadige oplossingen. Het heft in eigen handen nemen. Dat zint Davids niet. In hoofdstuk 19 noemt hij ze zelfs zijn tegenstanders.

David zoekt namelijk ook in deze situatie, die hij vrij makkelijk had kunnen beëindigen door Abisai groen licht te geven, Gods wil. Misschien herkent hij zich ook nog wel deels in de beschuldigingen van Simi. Hij had dan wel geen geweldig gebruikt tegen Saul en het koningschap niet afgepakt, David had wel degelijk het onschuldige bloed van Uria vergoten. Toen was hem ook al verteld dat er een dag als deze zou komen. Hij draagt de consequenties van z’n verkeerde daden zonder mopperen.

In dit alles is hij niet verbitterd naar God. Nee, hij blijft het van de Heer verwachten. Zowel zijn hoop op een betere toekomst als de wraak voor wat hem aangedaan wordt legt David in Gods handen.